8. Modegril

Na overleg met de dokter besloten we een uitgebreid bloedonderzoek te doen. Dus op naar het ziekenhuis waar ze voor mijn gevoel anderhalve liter bloed afnamen. Een laborant kon er een complete werkweek mee aan de slag. Alles werd getest. En toen kwam de dag dat ik de uitslag zou horen. Met mijn gevoel voor dramatiek was ik overal op voorbereid en had ik al allerlei scenario’s klaar liggen hoe ik het mijn ouders ging vertellen. Het leek me namelijk vreselijk het om mijn ouders vertellen dat ik heel ziek was. Dan gingen ze zich weer zorgen maken. En dat wilde ik niet.

“Nou, uit het onderzoek is niks gekomen,  je bent hartstikke gezond. Alle onderdelen functioneren prima, dus fysiek is er weinig aan de hand”, aldus de dokter.

Shit! Ik heb helemaal niks. Godsamme ,dat was een uitkomst dat ik niet voorzien had. En daar verdwenen 167 doemscenario’s zo in de prullenbak van mijn hoofd.  Het koste moeite om te reageren, want ik kreeg bijna een paniekaanval. Oh mijn God, als er fysieks niets aan de hand was, kon dat maar een ding betekenen. …

“Heb je wel eens aan een burnout gedacht ? “, zei de dokter.  Natuurlijk had ik daar wel aan gedacht, hoewel ik eigenlijk niet precies wist wat dat nu was, een burnout.  Ik vond het eigenlijk meer een modegril.  Een nieuwe trend. In plaats van overspannen te zijn, had nu iedereen een burnout.  En k ben niet zo trendgevoelig.  Voor mijn gevoel was een burnout hetzelfde als overspannenheid en ik voelde me totaal niet overspannen. Ik was niet emotioneel uit balans. Ik kon prima over mijn werk praten zonder in huilen uit te barsten.  Ik werd alleen zo moe van het praten. En ik hield zoveel van praten…

Advertenties

9. Slagveld

Met de diagnose van de huisarts op zak en met mijn ziel onder mijn arm fietste ik naar huis. Het voelde allemaal erg dubbel. Opgelucht omdat ik niets “ernstigs” mankeerde en stom omdat ik het zover had laten komen. Met mijn ervaring van tien jaar geleden had ik dit toch aan moeten zien komen? Ik had toch beter moeten weten? Ik, met al mijn zelfkennis waar ik altijd zo mee pochte. Een gewaarschuwd mens telt toch voor twee? Een ezel stoot zich toch geen twee keer aan de zelfde steen. Ik wel dus.

En met het gevoel nog dommer te zijn dan een ezel kwam ik thuis. Het liefst was ik het land uit gevlucht, omdat ik niemand onder ogen durfde te komen. Eigenlijk schaamde ik me om mensen te vertellen dat ik zoiets onbenulligs had als een burnout. Want waar moest ik nu een burnout van krijgen? Ik had geen gezin om voor te zorgen, draaide na mijn werk geen zes wassen en hoefde niet uitgebreid te koken of klaar te staan voor een echtgenoot. In plaats daarvan had ik me op het werk gestort.

Ik was vergeten dat ik 15 jaar lang al mijn ziel en zaligheid in de jeugdhulpverlening had gestopt . Ik was vol idealen begonnen, maar toen de verzakelijking zijn intrede deed en geld een steeds grotere rol ging spelen werd het werken een ware martelgang voor gedreven types zoals ik.Ik heb me vastgebeten en verzet tegen de bureaucratisering en de verhuftering van het werk maar het mocht niet baten. Als een Don Quichotte heb ik tegen windmolens gevochten, maar het was vechten tegen de bierkaai. Het was een waar slagveld geworden, waarbij ik aan mijn kant de grootste verliezen leed, namelijk vertrouwen. Vertrouwen in mijn werkgever, in de mens en in mezelf. Langzaam raakte ik dat kwijt, samen met het geloof dat het goede altijd overwint. Alsof een olifant halverwege het sprookje al had uitgeblazen.

10. Reddingsboei

Terwijl het vertrouwen in mezelf en de rest van de wereld daalde, groeide mijn wantrouwen naar de buitenwereld. Ik geloofde niet meer in de mooie zalvende woorden van de mensen om me heen, trok alles en iedereen in twijfel en zocht overal wat achter. Ik legde elke opmerking op een weegschaal of onder een grote loep. Ik leek wel een ware complotdenker, met het verschil dat ik ook mijn eigen gevoel en gedachten niet meer vertrouwde.

Er waren maar twee mensen die ik volledig vertrouwde en dat waren mijn ouders. Daar lag natuurlijk een grote portie onvoorwaardelijke liefde aan ten grondslag. Ik was vroeger namelijk een vreselijke onuitstaanbare puber die constant de grenzen opzocht en hun geduld op de proef stelde. Ze hadden heel wat met me te stellen in die tijd en ze wilden me destijds bijna kaal scheren om te bewijzen dat ik drie zesjes in mijn schedel stonden gekerfd. Zo’n duivelskind was ik. Maar ondanks die heftige puberteit bleven ze onvoorwaardelijk in me geloven en van me houden. Ik was en bleef hun kind.

Het klinkt misschien als goedkoop sentiment uit een derderangs romannetje, maar mijn ouders waren dus echt een soort baken van licht in de stormachtige kolkende zee van emoties waar ik me in bevond. Af en toe kon ik me eraan vastklampen om vervolgens weer terug het diepe in te springen. Want hoe heftig de burnout ook was op emotioneel gebied. Ik ging het niet uit de weg en moest van mezelf al watertrappelend en zwemmend op eigen gelegenheid naar de kant komen. Natuurlijk kreeg ik wel eens een reddingsboei aangereikt om even op adem te komen, maar het spartelen, drijven en zwemmen deed ik alleen.

Bij mijn ouders kon ik niet alleen op adem komen, maar liet ik me ook verzorgen en vertroetelen. Ik at regelmatig mee, dronk koffie, deed een spelletje met mijn vader en af en toe vertelde ik mondjesmaat hoe ik me voelde. Helemaal mijn hart uitstorten deed ik niet. Dat bewaarde ik wel voor de gogen en de logen. Ook ging ik regelmatig bij hun in bad om te ontspannen, want mijn lijf stond inmiddels zo strak van de spanning dat ik constant spierpijn had.

11. Snoep

Die spierpijn kwam doordat ik constant onder spanning leefde zonder dat ik me daar bewust van was. Ik herkende mijn eigen lijf en leed niet in die tijd, omdat ik maar door denderde.  Zoals een Ferrari op een bochtige landweggetje. Ik was constant op mijn hoede. Bang dat ik brokken zou maken. Het vreemde was dat ik vroeger voor de duvel niet bang was. Ik stapte kordaat door het leven, zag geen gevaar en belandde dan ook in elke sloot die ik tegen kwam. Ik kon me verwonderen en verbazen over alles wat ik zag en kletste met iedereen die ik tegenkwam. Ik keek onbevangen de wereld in en vaak keek de wereld enigszins wat verbaast naar me terug.

Zo liep ik ooit als tweejarige op een camping rond met een briefje op mijn T-shirt gespeld waarop stond: “geen snoep geven a.u.b.” Toen ik eenmaal kon lopen ging ik namelijk vaak op ontdekkingstocht en greep elke gelegenheid aan om met iedereen een kletspraatje te maken. Natuurlijk was iedereen gecharmeerd door die gezellig brabbelende peuter en kreeg ik van iedereen snoep. Van nature was ik nu eenmaal een sociaal dier en maakte heel makkelijk contact met mensen.

Tijdens mijn burnout  was ik dat echter helemaal kwijt. Als een bang hertje dook ik in elkaar zodra ik in een groep kwam die uit meer dan twee mensen bestond. Mijn sociale context  zat opeens vol hindernissen. Ik ging de menigte uit de weg. Ongemerkt trok ik me steeds meer terug uit het sociale leven. Afspraken werden afgezegd, feestjes werden overgeslagen en ik gaf steeds meer toe aan mijn bankhanggevoel. Ik vond het fijn om in mijn oude kloffie op de bank te hangen en urenlang televisie  kijken. Het werd dan wat rustiger in mijn hoofd. Ik was me  er echter totaal niet van bewust dat de wereld om me heen steeds kleiner werd en ik steeds schuwer.

12. Noord-Korea

Om te voorkomen dat ik in een neerwaartse spiraal belandde en nog dieper wegzakte in mijn lethargie kreeg ik van mijn psycholoog de opdracht om mij elke dag te houden aan de schijf van vier, zoals hij dat noemde. Het idee dat ik nu elke dag iets verplicht  “moest” viel me zwaar en was tegelijkertijd erg verwarrend. Het feit dat ik zoveel moest had me toch immers in deze toestand gebracht? Maar goed, ik wist dat er iets moest gebeuren en als zo’n schijf van vier mij zou helpen dan moest dat maar.

Ik moest me elke dag fysiek inspannen en fysiek ontspannen. En ik moest me elke dag psychisch inspannen en psychisch ontspannen. Dat was dus makkelijker gezegd dan gedaan. Het idee dat ik aan een paar dingen tegelijk moest denken en dat ook allemaal op een dag moest uitvoeren leek voor mij een onmogelijke opgave Natuurlijk kon ik in het begin niet veel activiteiten en passiviteiten verzinnen. Waar ik normaal een beroep kon doen op mijn grenzeloze fantasie leek mijn imaginaire wereld nu op Noord Korea. Ik kwam gewoon niet binnen.

Als mentale inspanning las ik de krantenkoppen. Een hele krant lukte niet, laat staan een heel boek, maar de nodige krantenkoppen lukte wel. Zo wist ik een klein beetje wat er om me heen gebeurde. Anders had ik niet eens geweten dat het kabinet gevallen was. Als mentale ontspanning keek ik naar series. Niet nadenken, maar gewoon plaatjes kijken. Mijn geest hoefde niet na te denken, maar alleen concluderen dat  Mç Steamy toch de mooiste man was van het ziekenhuis.

Mijn fysieke activiteit was het fietsen naar Albert Heijn om een paar boodschapjes te doen. Helemaal ingewikkeld was het om naar verschillende winkels te gaan, want mijn hersenen konden nog geen verbinding maken met de verschillende informatie. Het zou ook nog wel een tijd duren voordat ik dat weer kon. Mijn fysieke ontspanning was douchen. Dat deed ik een paar keer per dag. Urenlang kon ik daar onder staan. Water was mijn beloning. Het bracht mij rust en ontspanning.  Als een braaf schoolmeisje voerde ik wekenlang mijn schijf van vier uit. En warempel, ik ging me beetje bij beetje beter voelen.

13. Badhokje

Omdat ik me zo lekker kon ontspannen in bad en onder de douche besloot ik om zwemmen. Ik voelde me heerlijk vrij in het water en het voelde heerlijk ontspannend. Tot het moment kwam dat ik me bewust werd van de badmeester die op een bankje ging zitten vlak bij het trapje. Hetzelfde trapje dat ik moest gebruiken om mijn vermoeide lijf uit het water te hijsen richting kleedkamer. Als ik naar huis wilde, moest ik dus langs de badmeester en dan ontkwam ik er niet aan om iets tegen hem te zeggen. Maar wat? Wat moest ik toch zeggen?  Moest ik erbij glimlachen?  Moest ik een praatje maken? Iets zeggen over het weer? Straks ging hij mij van alles vragen. Wat moest ik nu toch doen?  Ik had geen idee. Het idee om iets te moeten zeggen boezemde me zoveel angst in dat ik maar in het water bleef. Dat was veilig. Maar wat nu? Ik kon moeilijk de rest van de dag in het water blijven.

Als een schichtig hert die net het roofdier had ontdekt , volgde ik met mijn ogen zijn bewegingen en hield hem nauwlettend in de gaten. Ondertussen zwom ik  door, iets langzamer en met meer spanning in het lijf dan daarvoor. De paniek werd nog groter toen een paar collega’s naast hem gingen zitten. Nu moest ik zien hoe ik langs drie mensen heen kwam zonder mezelf te verliezen. Mijn hele lijf begon zeer te doen. Niet zozeer van de spanning die langzaam mijn lijf weer in sloop, als wel van de vele meters die ik er inmiddels op had zitten.

Opeens zag ik mijn kans schoon. In een onbewaakt ogenblik , terwijl de badmeesters druk met elkaar in gesprek waren en geen oog meer hadden voor de badgasten, klom ik snel het bad uit, liep langs hen heen en mompelde iets van ajuus. In het badhokje haalde ik opgelucht adem. De eerste hindernis was genomen. Vanaf nu kon het alleen maar beter gaan.

14. E = mc²

Terwijl ik me drie keer in de week in het warme water van het zwembad onderdompelde,  zakte ik tegelijkertijd weg in een moeras van schuldgevoel en zelfkritiek. Ik voelde me namelijk enorm schuldig ten opzichte van mijn collega’s. Zij waren hard aan het werk en ik deed eigenlijk helemaal niets. Toen de zon begon te schijnen en ik regelmatig buiten probeerde te genieten van het zonnetje werd dit gevoel nog erger. Hoe bruiner mijn kop, des te groter werd mijn schuldgevoel.

Ik vond het lastig om mensen onder ogen te komen, want ik had geen idee wat ik moest zeggen. Eigenlijk ging het helemaal niet goed met me, maar aan mijn gebruinde huid viel dat niet af te lezen. Ik kon ze toch niet vertellen dat het slecht met me ging? Wie zou me geloven? Ik kon wel zeggen dat mijn hele lijf pijn deed en ik slapeloze nachten had van al dat gepieker, maar mijn zongebruinde kop deed meer denken aan een vakantieganger die net terugkeerde van zes weken Bahama’s dan van een burnoutpatiënt.

Het plaatje klopte dus niet met het beeld wat iedereen zag en met mijn groeiende wantrouwende blik dacht ik dat men mij maar een grote aansteller vond. Ik heb vaak gewenst dat ik iets had wat zichtbaar was. Een been in het gips of arm in een mitella is makkelijker uit te leggen dan een fysieke en mentale toestand waarvan ik zelf amper begreep wat het nu was. Ik voelde me regelmatig een kleuter die de relativiteitstheorie van Einstein aan mensen probeerde uit te leggen. Ik begreep niets meer van mezelf, van mijn gedachten, gevoel en mijn gedrag. Laat staan dat ik ook maar iets begreep van al die vage lichamelijke klachten die ik had.

Het was handig geweest als ik iedereen een foldertje in de hand kon drukken met alle ziekteverschijnselen en het verloop van een burnout, zodat mensen gewoon konden lezen wat het eigenlijk was. Nu bleef het allemaal zo ongrijpbaar, zowel voor mij als voor mijn omgeving.